Comorbiditeit
De volgende stoornissen of problemen kunnen tegelijkertijd met ADHD of Autisme optreden en worden hier kort beschreven of er worden verwijzingen geven voor:
- Oppositioneel-Opstandige Stoornis (ODD of Oppositional Defiant Disorder)
- Gedragsstoornis (CD of Conduct Disorder)
- MCDD
- Nonverbal Learing Disorder (NLD),
- Gilles de la Tourette
- Obsessieve-Compulsieve Stoornis (OCD): dwanggedachten en dwanghandelingen.
Toegevoegd worden nog:
- Angststoornis, depressiviteit, een stemmingsstoornis, zoals Bipolaire Stoornis (Manisch depressief)
- Leerstoornissen, zoals Dyslexie en Dyscalculie
- Borderline persoonlijkheidsstoornis (met name bij (jong) volwassenen).
ADHD, maar ook autisme gaan vaak gepaard met andere problemen, zoals leer-. gedrags- en emotionele en ontwikkelingsmoeilijkheden. Dit wordt comorbiditeit genoemd.
Problemen of stoornissen die het meest samen voorkomen met adhd of autisme zijn:
- Oppositioneel-Opstandige Stoornis (ODD of Oppositional Defiant Disorder)
- Gedragsstoornis (CD of Conduct Disorder)
- MCDD
- Nonverbal Learing Disorder (NLD),
- Het syndroom van Gilles de la Tourette. Dit syndroom wordt voornamelijk gekenmerkt door motorische en vocale tics en dwanggedachten en -handelingen.
- Obsessieve-Compulsieve Stoornis (OCD): dwanggedachten en dwanghandelingen.
- Leerstoornissen: De meest voorkomende leerstoornissen zijn: dyslexie of wel leerproblemen en dyscalculie of wel rekenproblemen.
- Angst of een angststoornis en depressie of depressief of een stemmingsstoornis als Bipolaire Stoornissen (Manisch depressief).
- Borderline persoonlijkheidsstoornis (met name bij (jong) volwassenen).
Ook stoornissen uit het autisme spectrum kunnen tezamen voorkomen met ADHD
Hieronder worden kort een aantal bijkomende problemen of stoornissen besproken. Bij de links staan zoveel mogelijk verwijzingen naar sites.
OPPOSITIONAL DEFIANT DISORDER (ODD) of Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.
OPPOSITIONAL DEFIANT DISORDER (ODD) of Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.
DSM-IV criteria: Een patroon met negativistisch, vijandig en openlijk ongehoorzaam gedrag met een duur van ten minste zes maanden waarin vier (of meer) van de volgende aanwezig zijn:
1. is vaak driftig
2. maakt vaak ruzie met volwassenen
3. is vaak opstandig of weigert zich te voegen naar verzoeken of regels van volwassenen
4. ergert vaak met opzet anderen
5. geeft anderen vaak de schuld van eigen fouten of gedrag
6. is vaak prikkelbaar of ergert zich
7. is vaak boos en gepikeerd
8. is vaak hatelijk en wraakzuchtig
De gedragsstoornis veroorzaakt beperkingen in het sociale, school- of beroepsmatige functioneren.
Kinderen met ODD zijn dus vaak tegen de draad in, hebben weinig geduld, lappen regels aan hun laars of gaan er oeverloos over in discussie. Vaak vloeken ze en gebruiken grove taal.
CONDUCT DISORDER (CD) of (Agressieve) Gedragsstoornis.
De DSM-IV criteria van de CONDUCT DISORDER (CD) of (Agressieve) Gedragsstoornis zijn Net als kinderen met een ODD zijn kinderen met een CD vaak opstandig en ongehoorzaam. Hiernaast een zich herhalend en aanhouden gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen of belangrijke bij de leeftijd behorende sociale normen of regels worden overtreden, zoals bijvoorbeeld: Liegen, pesten, intimideren, vechten, mishandelen (met of zonder wapen) van mensen en dieren, stelen, eigendommen van anderen vernielen, brand stichten, inbreken, weglopen van huis, blijft ‘s nachts weg en spijbelt. Van deze criteria dienen er drie of meer aanwezig te zijn en dient de gedragsstoornis beperkingen in het sociale, school- of beroepsmatige functioneren te veroorzaken.
OCD Obsessieve compulsieve stoornis
MCDD staat voor Multiplex (Complex) Development Disorder ookwel Multiple Complex Developmental Disorder
Kenmerkend is het doorslaan in emoties angst-verdriet-agressie. Kinderen werden ook als psychotisch, neurotisch, borderline, met ontwikkelingspsychose, met schizoïde persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd . Als ze een op een zijn functioneren ze vrij goed. Vaak buitengewoon aanklampend maar ook buitengewoon afwerend gedrag. Binnen PDD-NOS onderscheidt men subgroepen, MCDD is er een van. Kenmerken: Stoornissen in de gevoeligheid van sociale signalen en stoornissen in de ontwikkeling van wederkerige sociale relaties (sociale desinteresse, afweren of juist grenzeloos in sociaal contact, ze kunnen wel maar doen niet, geen vriendjes, aanklampend, haat-liefdeverhoudingen met name met volwassenen zeker ouders/primaire verzorgers, diep gebrek aan zich in kunnen leven, zich niet kunnen verplaatsen in gedachten en gevoelens van de ander) Stoornissen in de regulatie van affecten (doorschieten in angst/agressie, angst wordt paniek, boosheid wordt woede: intens angstig, gespannen, paniekaanvallen, fobisch meestal voor ongebruikelijke situaties of voorwerpen, momenten of periodes van gedragsmatige terugval met driftaanvallen, emotionele en stemmingsschommelingen zonder duidelijk aanwijsbare aanleiding, frequente invoelbare bizarre angstreacties. Stoornissen van het denken: (onnavolgbaar van de hak op de tak springen, bizarre fantasieën, zo opgaan in fantasie dat scheidslijn met werkelijkheid vervaagt, onlogische gedachten, plotselinge onnavolgbare gedachtesprongen, gemakkelijk verward raken, niet begrijpen wat er om hen heen gebeurt, erg achterdochtig of grootheidsideeën, heel erg opgaan in fantasiefiguren. Kenmerkend is dat het syndroom zich manifesteert vanaf de peuter/kleuterperiode. Samengevat drie hoofdkenmerken: 1. Stoornis in de regulatie van affect en angst, 2. Stoornissen in het sociale gedrag en 3. Gestoorde cognitieve verwerking (denkstoornissen)
NLD: Nonverbal Learing Disorder
NLD wordt beschreven als een neurologische aandoening.
Kinderen met NLD ervaren problemen op motorisch gebied, in de visuele-ruimtelijke organisatie en op sociaal gebied.
Door de problemen die het kind ondervindt met het organiseren van het visueel-ruimtelijk veld, de ruimte om hem heen, is motorische onhandigheid vaak het eerste probleem dat ouders signaleren.
Als peuter zal het kind de wereld niet motorisch verkennen door middel van aanraken en voelen, maar verbaal door het stellen van vragen.
Tijdens het lopen laat het kind onzekerheid zien in evenwicht.
Leren fietsen geeft ook problemen, net als veters strikken, vasthouden van pen en omgaan met een schaar.
Stoornissen in de visuele waarneming zorgen ervoor dat het kind zich geen visuele beelden vormt en zich hierdoor niets voor de geest kan halen wat hij eerder heeft gezien.
Hij let op details en ziet het totale beeld niet.
Ervaringen worden door middel van woordjes in het geheugen opgeslagen.
Op school zal hij meer moeite hebben met schrijfopdrachten, met name overschrijven uit een boek. Tevens zal hij problemen met rekenen hebben. Kinderen met NLD doen hun best om zich sociaal aan te passen, maar ze interpreteren sociale situaties verkeerd.
Deze kinderen zijn niet in staat om gebaren te interpreteren en om lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen te "lezen". Daarbij interpreteren ze vaak letterlijk wat er gezegd wordt. Ze zijn erg naïef in het vertrouwen van anderen en hebben hierdoor geen inzicht in het verschijnsel bedrog.
Het syndroom van Gilles de la Tourette
Het syndroom van Gilles de la Tourette wordt gekenmerkt door tics.
Dit zijn ongecontroleerde spierbewegingen en/of geluiden.
Wat zijn de symptomen van het syndroom van Gilles de la Tourette?
In de volgende gevallen spreekt men van het syndroom van Gilles de la Tourette:
- er is sprake van zowel geluids- als bewegingstics
- de tics houden langer dan een jaar aan
- en andere neurologische oorzaken zijn uitgesloten
Symptomen openbaren zich meestal tussen het vierde en elfde levensjaar
De volgende tics kunnen al of niet in combinatie met elkaar voorkomen.
Er zijn twee soorten tics:
1. Bewegingstics, ook wel motorische tics genoemd:
- knipperen met de ogen
- een grimas trekken
- wegdraaien met de ogen
- optrekken van de neus
- schudden met het hoofd
- schouders optrekken
- diverse tics in ledematen
2. Geluidstics, ook wel vocale tics genoemd:
- keelschrapen
- kuchen
- grommen
- knorren
- sisgeluiden
- klakken met de tong
- uiten van zinloze kreten
- uiten van scheld- en schuttingwoorden
- vloeken
Het syndroom van Gilles de la Tourette kan voorkomen in combinatie met andere verschijnselen:
- concentratiestoornissen in combinatie met hyperactiviteit (ADHD)
- drang- en dwanghandelingen en merkwaardige rituelen (OCS)
- ontwikkelingsstoornissen of contact- en relatieproblemen (PDD-nos)
Stoornis van Gilles de la Tourette Diagnostische criteria van de DSM-IV
A. Zowel multiple motorische als een of meer vocale tics zijn op een bepaald moment van de ziekte aanwezig geweest, hoewel niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd. (Een tic is een plotselinge, snelle, herhaalde, niet-ritmische, stereotiepe motorische beweging of vocale uiting.)
B. De tics komen vele keren per dag voor (meestal in aanvallen), bijna elke dag of met tussenpozen gedurende meer dan een jaar, en in deze periode was er nooit een ticvrije periode van meer dan drie aaneengesloten maanden.
C. De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of significante beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. Begin voor het achttiende jaar.
E. De stoornis is niet het gevolg van directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld stimulantia) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld chorea van Huntington of postvirale encefalitis).
Obsessief Compulsieve Stoornis (OCS)
Obsessies, of dwanggedachten, zijn terugkerende indringende gedachten, die vaak onaangenaam zijn en als vreemd ervaren worden. Compulsies, of dwanghandelingen, zijn handelingen die steeds herhaald worden, volgens bepaalde regels of rituelen. Ook dit wordt meestal als vreemd en onaangenaam ervaren door degene die zich door een inwendige kracht gedwongen voelt om ze te verrichten.
Obsessieve-compulsieve stoornis Diagnostische criteria van de DSM-IV
A. Ofwel dwanggedachten ofwel dwanghandelingen:
Dwanggedachten zoals gedefinieerd door 1, 2, 3 en 4:
1. Recidiverende en aanhoudende gedachten, impulsen of voorstellingen, die gedurende bepaalde momenten van de stoornis als opgedrongen en misplaatst beleefd worden, en die duidelijke angst of lijden veroorzaken.
2. De gedachten, impulsen of voorstellingen zijn geen overdreven bezorgdheid over problemen uit het dagelijks leven.
3. Betrokkene probeert deze gedachten, impulsen of voorstellingen te negeren of te onderdrukken, of deze te neutraliseren met een andere gedachte of handeling.
4. Betrokkene is zich ervan bewust dat de dwangmatige gedachten, impulsen of voorstellingen het product zijn van zijn of haar eigen geest. Dwanghandelingen zoals gedefinieerd door 1 en 2:
1. Zich herhalend gedrag (bijv. handenwassen of controleren) of psychische activiteit (bijv. tellen of in stilte woorden herhalen) waartoe de betrokkene zich gedwongen voelt in reactie op een dwanggedachte, of zich aan regelijs houden die rigide moeten worden toegepast.
2. De gedragingen of psychische activiteiten zijn gericht op het voorkomen of verminderen van het lijden, of op het voorkomen van een bepaalde gevreesde gebeurtenis of situatie; deze tonen echter geen realistische samenhang met de gebeurtenis die geneutraliseerd of voorkomen moet worden, of zijn duidelijk overdreven.
B. Op een bepaald moment in de stoornis is de betrokkene zich ervan bewust dat de dwanggedachten of -handelingen overdreven zijn. N.B. Dit geldt niet voor kinderen.
C. De dwanggedachten of dwanghandelingen veroorzaken duidelijk lijden, zij kosten veel tijd (nemen meer dan 1 uur per dag in beslag) of verstoren in significante mate de normale routine van betrokkene, het beroepsmatig functioneren (of de studie op school) of de gebruikelijke sociale activiteiten of relaties met anderen.
D. Indien een andere As I stoornis aanwezig is, is de inhoud van de dwanggedachte of dwanghandeling daartoe niet beperkt (bijvoorbeeld preoccupatie met voedsel bij een eetstoornis; haar uittrekken bij trichotillomanie; bezorgdheid over het uiterlijk bij een stoornis in de lichaamsbeleving; preoccupatie met middelen als een stoornis in het gebruik van middelen aanwezig is; preoccupatie met het hebben van een ernstige ziekte bij een hypochondrie; preoccupatie met seksuele behoeften of fantasieën bij een parafilie; of piekeren over schuld bij een depressieve stoornis).
E. De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening. Specificeer indien: Met gering inzicht: indien betrokkene, voor het grootste deel van de tijd in de huidige episode, niet beseft dat de dwanggedachten en dwanghandelingen overdreven of onredelijk zijn.